don 26 maa |
|
Wellicht klinkt mijn naam, Emma Bruns,u nog enigzins bekend in de oren. Lange tijd was Dragons (en is eigenlijk nog steeds) mijn favoriete club en dames I mijn favoriete team. Anderzijds biedt het leven nog meer dan enkel hockey en daarom wilde ik het volgende vertellen. Samen met enkele studenten in Amsterdam heb ik drie jaar geleden stichting M.O.E.T. (www.stichtingmoet.nl) opgericht. Deze stichting heeft als doel een ambachtsschool te bouwen in Burkina Faso, één van de armste landen in West-Afrika. Na veel inspiratie en transpiratie is het dan bijna zover. In februari zal de school haar deuren openen! Ter ere van dit heuglijke feit en om de stichting nog wat extra te ondersteunen gaan wij met 20 studenten binnenkort een groots avontuur aan! Met tien jeeps zullen we dwars door Europa en Noord-Afrika afreizen van Amsterdam naar Burkina Faso om daar de auto's aan verschillende stichtingen te schenken. Wachten op BoboIn sommige delen van de wereld is het eenvoudig om avontuurlijk te leven. Opgroeien in de sloppenwijken van Bangalore of overleven diep in de jungle van de Amazone klinken spannender dan drie hoog boven de kaasboer in Amsterdam Zuid. Wij, bevoordeelde studentjes uit het rijke Westen hebben dan ook één grote angst: terecht komen in de sleur van alledag en te eindigen bij een Ikea-leeslampje om tot diep in de nacht de meest gunstige hypotheekregeling uit te zoeken. Daar waar vele ontwikkelingsprojecten mensen in ‘avontuurlijke’ gebieden niets liever willen bieden dan de sleur van naar school gaan, werken en boodschappen doen, wilden wij daaraan ontsnappen. Zo stonden we daar: donderdag 30 januari, tien uur ’s avonds, op het Leidseplein. 9 auto’s, 19 studenten, bezorgde ouders, beleefde sponsors en bierende vrienden. Als dove ezels hadden we ons door het oerwoud van negatieve reisadviezen, zorgwekkende krantenberichten en hoofdschuddende naasten heen geworsteld en stonden we nu in de startblokken voor de reis van ons leven: 8000 kilometer, van Amsterdam naar Bobo Dioulasso, Burkina Faso, West-Afrika. Bungeejumpen in Bolivia of surfen in Australië zijn nog enigszins te verantwoorden als studieontwijkend gedrag op feesten en partijen, maar 8000 kilometer door woestijn en dorre steppen met een tweedehands auto, is dat werkelijk benijdenswaardig? Naast bier drinken en af en toe een tentamen maken, kunnen studenten soms waanzinnige ideeën hebben. Zo bedachten Roel Hellemons en Adriaan Moerman drie jaar geleden stichting M.O.E.T.. “Met Onderwijs en Toekomst†stelde haar eerste doel: binnen een aantal jaar een ambachtsschool bouwen in Burkina Faso. Samen met vier andere studenten van het Amsterdamse Studentencorps, die club die vooral het nieuws haalt tijdens escalerende ontgroeningen en drankexcessen, wilden zij het maatschappelijk bewustzijn van de ‘corpsballen’ trachten te vergroten. In Nederland werden er feesten georganiseerd, donateurs geworven, subsidies aangevraagd en doelen gesteld. In Burkina Faso werd er over het terrein onderhandeld, een aannemer aangesteld en voorts de nodige contacten gelegd. Drie jaar later was het zover; het gebouw was gereed. Dit heuglijke feit kon natuurlijk niet onopgemerkt voorbij gaan en de ABC lag voor de hand. De Amsterdam Bobo Challenge: een reis naar Burkina om de school feestelijk te openen, nog meer aandacht te krijgen voor het project en de auto’s aldaar te schenken aan verschillende stichtingen die vanuit Nederland Burkina Faso helpen. Want immers, met mooie praatjes is de wereld nooit veranderd. Binnen enkele maanden verzamelden zich 9 teams (13 jongens en 6 meisjes) die weleens wat verder wilden dan de jaarlijkse karavaan naar Zuid-Frankrijk. Deel één van de uitdaging begon reeds in Nederland. Aangezien studenten niet zeer vermogend zijn en zo’n Toyota Landcruiser toch ook niet helemaal wordt voor een appel en een ei wordt weggegeven , werd de zoektocht naar sponsors geopend. Familieleden, multinationals, cafébazen, de Quote 500 en zelfs de plaatselijke snackbar werd overtuigd van het belang van deze reis. Daarnaast is het vergaren van naamsbekendheid in het continent van de toekomst in de vorm van een prachtige sticker op de auto nooit weggegooid geld, althans volgens de studenten. Vervolgens op weg naar stap twee: de aanschaf van een auto. Na papa’s Volvo en een stuk of tien aftandse omafietsen was ook dit voor menig deelnemer nog onbekend terrein. Marktplaats werd afgestruind en voor het eerst in mijn leven maakte ik kennis met termen als turbo, distributieriem, 2.8 of 2.4, radiateur, imperials en nog veel meer. We belden met onverstaanbare Friesen, louche autohandelaars die wellicht nog zaagsel in de versnellingsbak gooiden en handmatig kilometerstanden aanpasten, radeloze Amsterdammers die zo snel mogelijk van hun 4x4 afwilden wegens het naderende P.C.- Hooft tractoren verbod, en vele anderen. De moeite bleef niet onbeloond: de avond voor vertrek stonden er 5 Nissan Patrols, 3 Toyota Landcruisers en één verdwaalde Land Rover rond de fontein van Hotel Américain. Na een grondige check-up van topsponsor en weldoener, “Garage van Rhenen†helemaal klaar voor de reis. De laatste weken voor vertrek waren erg spannend. Tot diep in de nacht werd er getypt en geschrapt in het roadbook, de paklijsten werden verdeeld en zelfs de lokale Praxis werd enthousiast gemaakt voor onze reis en gaf alles aan de helft van de prijs weg. De auto’s zelf werden omgebouwd tot ware huizen met handige opbergrekjes, uitklapbare bedden en dubbele bodems voor geld en andere zaken die we liever niet aan Mauretaanse ogen tonen. Noodrantsoenen, muskietennetten, waterzuiveringstabletten, ijzerdraad, de lijsten leken eindeloos en zorgden voor menig slapeloze nacht voor vertrek. Last-minute to do lijsten leken oneindig en de tijd vloog voorbij. Toch was het vrijdag 31 januari dan echt zover: on the road! De teams :
De routeLanden :
Avonturen :
Hoofdstuk 1: Door EuropaDe eerste dagen waren wellicht vergelijkbaar met het leven van een vrachtwagenchauffeur. In de stromende regen bolden we over het Europese asfalt en ’s avonds brachten we de nachten door in de immer sfeervolle en warme Formule-1 hotels. Behalve de naam is er tussen deze hotels en de luxueuze wereld van de topcoureurs weinig gelijkenis. Geen champagne, geen sigaren, leren fauteuils of vrouwelijk schoon. F1 draagt haar naam omdat je er hoogstwaarschijnlijk zo snel mogelijk weer weg wil als je er aankomt. De uiterst sfeervolle tl-verlichting, stapelbedden die een uitzonderlijke lenigheid vereisen als je erin wil slapen en de slappe koffie schreeuwen je bijna terug naar de snelweg. Terwijl we in drie dagen heel Europa doorkruisen word ik me steeds meer bewust van de reis: we gaan met de auto naar Afrika! Met onze bedjes achterin, oneindige voorraad blikjes tonijn en wasa crackers en vele kilometers in het vooruitzicht ben ik me steeds meer bewust van de vrijheid. Eén maand lang bestaat ons leven uit de tocht naar een ander continent; in Amsterdam zijn de dagen verknipt in talloze afspraken, colleges, vergaderingen, sociale verplichtingen en andere activiteiten. Op dit moment ligt de focus op één ding: met een auto naar Burkina. Geen kranten, geen mobiele telefoon, geen mogelijkheid om weg te gaan. Tijdens de uren in de auto fantaseer ik over hoe het zou zijn om als ontdekkingsreiziger op pad te gaan. Aan boord van een gigantisch zeilschip vol ploerten en zuiplappen overleefde je weken om te weten te komen wat er aan de andere kant van die enorme watervlakte zou liggen. Het moet haast onwerkelijk zijn geweest om de eerste keer iemand te zien met een andere huidskleur, de brandende zon op je huid te voelen of een kokosnoot te eten. Een ongekende nieuwsgierigheid die er ook bij mij voor zorgt dat ik elke keer weer nieuwe dingen van de wereld wil zien. Al pratend en luisterend naar de the very best of Prince en het luisterboek van de Grote Vriendelijke Reus (aanrader) bereiken we na drie dagen Algeciras, het zuidelijkste punt van Spanje. Aan de temperatuur is in de verste verte nog niet te merken dat we Afrika naderen, het is bitter koud en regent pijpenstelen. Morgen is het zover: de oversteek naar Afrika. Hoofdstuk 2: MarokkoZelfs een Philips wake up light of een ontbijt op bed had me deze ochtend toch niet echt fris en fruitig kunnen doen opstaan. 5u30 en weer een lange dag voor de boeg, het is tenslotte geen Club Med vakantie. In colonne rijden we naar de haven die in schril paradox staat met de laatste keer dat ik hier was. Twee jaar geleden reisde ik per trein naar Marokko in de zomermaanden. In juli en augustus is het haventerrein een mierenhoop van oude auto’s en bestelbusjes die volledig afgeladen naar familie in het vaderland afreizen. Bankstellen, enorme koffers, pannen, kleren en ontelbare voorraden van allerlei zaken worden meters hoog op het dak vastgebonden. In de brandende hitte wacht iedereen hier ongeduldig op het laatste obstakel voor het heuglijk weerzien van hun dierbaren. Dit ongeduld wordt meestal geuit in een kakofonie van toeterende en schreeuwende mensen die noch voor- noch achteruit kunnen. Onze oversteek was een oase van rust vergeleken bij dit zomerschouwspel. Eén voor één reden we om 6u55 de buik van het enorme schip binnen en begaven we ons naar het dek waar de broodnodige cafeïne werd genuttigd. De boot was tevens ook het begin van de invloed van Frankrijk. Vanaf nu waren er overal baguettes en péages maar het Frans zou de enige taal worden om redelijk in te kunnen communiceren. Deze vaardigheid die ik mij tijdens mijn jeugd in België eigen heb gemaakt, zou bij de eerste grensovergang al snel van groot belang blijken. Kort iets over deze eigenaardige overheidsinstanties in Afrika. In Europa zijn grensovergangen puur functioneel en vaak onzichtbaar. Een douanier tussen Frankrijk en Zwitserland is te allen tijde een ambtenaar en zal zen taak uitvoeren ten gunste van de staat en trachten u als reiziger zo goed mogelijk door de grens te loodsen. In Afrika is een grensovergang een bedrijf, een plaats om geld te verdienen voor velen. Men heeft er dan ook baat bij als u, en zeker als rijke Westerling, zo lang mogelijk bij de grensovergang blijft. U vormt namelijk een bron van inkomsten voor straatverkopers, ritselaars die pretenderen dat ze de zaken sneller kunnen doen verlopen, douaniers die hun eigen tarieven rekenen en talloze anderen die profiteren van uw ongeduld en onwetendheid over deze tweede agenda. Al was Marokko nog enigszins eenvoudig en rustig proefdraaien voor iedereen; de ervaring was toch opmerkelijk. Zijdelings van de grenspost liep een bergpad waar mensen voortdurend heen en weer renden tussen de twee landen. Ze droegen enorme tassen bij zich en leken zich, afgezien van de versnelde pas, weinig aan te trekken van de administratieve rompslomp die zich beneden voltrok. Wij zaten inmiddels volledig in het papierwerk; met twee mannetjes, zogenaamde “alles-weters†in ons kielzog en vele politiehuisjes in het vooruitzicht wachtte ons nog een lange dag. Naast ons werden enkele afgeladen bestelbusjes volledig uitgeruimd, omgekeerd en doorzocht. De gedachte dat al onze auto’s ook deze inspectie zouden moeten ondergaan verheugde lang niet iedereen. Gelukkig mochten we na het invullen van een kaartspel aan formulieren allemaal doorrijden en tuften we nog voor de middag door het prachtige Marokkaanse landschap. De eerste kilometers in Afrika waren wonderbaarlijk eenvoudig; enkele jaren geleden heeft de Marokkaanse overheid een prachtige snelweg aangelegd en aangezien die voor de gewone bevolking te duur is om te gebruiken, verkeert deze in uitstekende staat. Het enige waarin deze weg zich onderscheidt van een Franse strook is wellicht de uitzonderlijke gewoonte van mensen om langs de snelweg te wandelen of in de middenberm zaken te verbouwen. Terwijl wij met 120km per uur langs raasden kruisten we menig Marokkaan die op z’n dooie gemak een ommetje snelweg maakte. De avond naderde en de eerste grote stop kwam in zicht: parel van Noord-Afrika, Marrakesh. Samen met Fez, Meknes en Rabat zijn deze steden de vier koningssteden van Marokko. De stad werd in 1062 gesticht door Yusuf Ibn Tashfin en was de hoofdstad van de Almoraviden. Lange tijd was deze stad een belangrijke schakel tussen handelsroutes uit de Sahara en het noorden. Vanaf 1913 kwam Marokko in Franse handen; ten tijde van de kolonisatie werd in vele steden de zogenaamde ‘nouvelle-ville’ gebouwd. Dit laatste gedeelte, geheel in Franse stijl met brede boulevards en moderne gebouwen, staat in schril contrast met de ouderwetse medina; een labyrint aan steegjes en verschillende souks (markten van verschillende ambachten) die het oude stadscentrum vormen. Het grote Djema-el Fna plein vormt het hart van de stad. Wellicht door reisgidsen inmiddels wel iets overschat maar desalniettemin een indrukwekkende ervaring. Het plein is een vrijmarkt van talloze kraampjes die verse sinaasappelsap, dadels, vijgen verkopen. Voor zij die zich van de versnaperingen hebben weten te vrijwaren zijn er nog talloze slangenbezweerders en verhalenvertellers die je aandacht voor zich proberen te winnen. ’s Avonds verandert dit plein in één groot openlucht restaurant; honderden eetstalletjes met nog veel meer vlotte Marokkaanse jongens met een snelle tong die je aan de hand nemen om toch maar bij hen te komen eten. De geuren van verse kebab, gegrilde groenten en tajin zijn overweldigend. Als er niet vijf dikke Amerikanen naast me hadden gezeten was het zeker een Arabische droom geweest. Want al struinend door de medina met leurende verkopers, sportschoenen die blinken van het plagiaat en nep saffraan dat voor veel te hoge prijzen verkocht wordt, is het moeilijk je geen ultieme toerist te voelen. Waarschijnlijk zal ik alleen met burqa en vloeiend Arabisch ooit te weten komen hoe het is om door de medina te wandelen zonder dat men je als een wandelende spaarpot zien. De volgende dag is het voor dag en dauw alweer tijd om onze tocht voort te zetten. We laten Marrakesh achter ons en na enkele omzwervingen en vier rondjes rotonde zijn we dan terug op pad; op weg naar de Westelijke Sahara. Wellicht heeft het fenomeen cultureshock toch ook iets te maken met de komst van het vliegtuig. Binnen enkele uren tijd word je uit je eigen omgeving weggetrokken en land je op volstrekt onbekend terrein waar alles totaal anders is. Tijdens onze tocht zien we geleidelijk het uitzicht veranderen. De aarde wordt zanderiger, de zon feller, mensen donkerder en levensomstandigheden armoediger. Al rijdend in de auto lijken steden en dorpen die we passeren zich aan ons te voltrekken als een film. De voortdurende stroom van dagelijkse bezigheden zoals het slachten van geiten, zes keer per dag bidden, was ophangen en duizenden andere zaken worden niet gestaakt door het passeren van een auto. Het is alsof je door je eigen film heen rijdt. Hoofdstuk 3: Westelijke SaharaOp weg naar het zuiden worden we overweldigd door de enorme uitgestrektheid van het landschap. Als bewoners van één van de meest dichtbevolkte landen van de wereld is deze leegte haast onwerkelijk. Waar je in Nederland al jaren niet meer kilometers ver kan kijken zonder enige vorm van bewoonde wereld waar te nemen is de vlakte hier haast surrealistisch. Al lijkt het hier uitgestorven, onvruchtbaar en buitenaards; de belangen zijn hier groot. Vanaf 1884 was dit gebied in handen van de Spanjaarden. Toen Marokko zich in 1956 onafhankelijk verklaarde, maakten ook zij aanspraak op de zuidelijke provincie. Daarnaast aasde ook Mauritanië op het gebied .Tot op de dag van vandaag willen de oorspronkelijke bewoners van de Westelijke Sahara, de Sahrawi, hier niets van weten. De Polisario, een gewelddadige onafhankelijkheidsbeweging die in 1973 werd opgericht, eist zelfbeschikkingsrecht over het gebied. De situatie escaleerde zodanig dat in 1975 de zaak door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag in behandeling werd genomen. In tegenstelling tot de uitspraak van het Hof waarbij de soevereiniteit van de Sahrawi voorop stond, zond koning Hassan II van Marokko 350 000 Marokkanen naar het gebied: de zogenaamde ‘Groene Mars’. Spanje, op dat moment nog officieel gezaghebber in het gebied, gooide het op een akkoordje met Marokko en schonk tweederde van het gebied aan Hassan II en een derde aan Mauritanië in ruil voor visrechten aan de Marokkaanse kust. Door het heftige verzet van de Polisario en het economische onvermogen van Mauritanië om hier weerstand aan te bieden, eigende Marokko zich het hele gebied toe. Tot 1991 bood de Polisario stevig verzet maar door het wegvallen van de steun uit diverse omringende landen zoals Algerije en Libië en verschillende toezeggingen van Hassan II (oa amnestie voor Polisario leden) sloten beiden partijen in ’91 een staakt-het-vuren. Tot op de dag van vandaag zijn de Verenigde Naties in dit gebied aanwezig om een referendum te realiseren over de toekomst van de Westelijke Sahara. Een dergelijke kwestie toont veel gelijkenissen met conflicten elders in de wereld: Servië en Kosovo, Israël en Palestina, Rusland en Tsjetsjenië. In gesprek met mensen uit de Westelijke Sahara en uit deze andere gebieden blijkt een groot ongenoegen dat zich uit in een bijna onomkeerbare antipathie jegens de grootmacht die hun gebied in handen heeft. Zo bleek ook in gesprek met Saïd, die zich in één dag tot een onmisbare vriend maakte. Al genietend van de ondergaande woestijnzon en de steeds grijzer wordende cd’s van Prince en Michael Jackson bleek ons toch een minder rooskleurig einde van de dag gewenst te zijn dan we tot dan toe vermoedden. Voor het eerst tijdens de reis werd de bakkie (zo’n ding dat taxichauffeurs ook gebruiken om met elkaar te communiceren) gebruikt voor een noodoproep: de KiWi’s hebben pech. Al werd ons van te voren op het hart gedrukt dat Toyota’s onverwoestbaar waren en dat zelfs Bin Laden er de vlakten van Tora Bora moeiteloos mee doorkruiste, er was toch echt nood aan de man. Na witte rook en totaal onvermogen om de auto opnieuw te starten, werden we even troosteloos door het zand getrokken naar de dichtstbijzijnde camping “Roi Bedouinâ€. Na het nuttigen van een stevig stukje kamelenvlees was het tijd voor de grote operatie. Tot diep in de nacht werd onder helder maanlicht alles uit de kast gehaald om onze machine weer aan de praat te krijgen. Onbevredigd en enigszins bezorgd werd besloten de volgende dag voor dag en dauw naar dichtstbijzijnde stad Layoune af te reizen in de hoop daar licht in de duisternis te vinden. Na vier uur sleutelen, tien mannetjes die zich aanboden als vertaler, vijftien Marlboro’s en nog veel meer bezorgde blikken van monteurs kwam daar de min of meer verlossende diagnose. Het motorblok was door de hoge temperatuur zodanig beschadigd dat het geheel onbruikbaar was geworden. Enige optie: een nieuw blok vinden midden in de woestijn. Saïd, een tengere ietwat doorleefde man van rond de 30 was vanaf onze aankomst bij de garage ons te hulp geschoten om te vertalen. Als argwanende westerlingen hadden we zijn hulp noodgedwongen geaccepteerd maar eigenlijk wilden we dat hij zo snel mogelijk weer weg zou gaan. Het is een houding die je liever nooit aanneemt maar in landen waar je blanke hoofd hetzelfde betekent als een zak vol geld is enige achterdocht bij al die behulpzaamheid wellicht niet volledig onterecht. Desalniettemin was hij op dit moment onze enige mogelijkheid tot het vinden van een motorblok. Hij bood ons te helpen in de zoektocht naar een nieuw motorblok. Kris, de jongen van de rally die ‘alles’ van auto’s wist, en ik, oorzaak van het kwaad en kundig in het Frans, stapten achterin de oude Mercedes die haast uit elkaar viel van ellende en gingen op pad. Het was 11u ’s ochtends en de zon scheen, zoals wel vaker in de Sahara. Een mooie dag om een motorblok te vinden. Je zou denken dat men zich vooral kamelen en ezelkarren als transportmiddel gebruikt maar niets is minder waar. Deze kleine stad bleek een waar walhalla aan automonteurs, garages en auto-onderdelen. Elke extra kamer, achtertuin en ander overschot aan ruimte leek wel gebruikt te worden voor het repareren van auto’s. Elke straat had zijn eigen specialiteit: stoelen, radiateurs, sturen, kabeltjes, aan reserveonderdelen geen gebrek. Helaas bleek ons probleem toch van een ander kaliber. Hobbelend over de zandwegen reden we door de straten van Layoune. Naast het voortdurend claxoneren naar geiten, bekenden en onvoorzichtig overstekende opa’s jengelde de hele dag hetzelfde bandje met Arabische muziek dat Saïd uit volle borst meezong. We bezochten allerlei steegjes en achterkamertjes waarvan waarschijnlijk elke Lonely Planet zegt dat je ze te allen tijde moet mijden. Zo gretig als de verschillende monteurs keken om deze westerlingen te helpen, zo hopeloos keken ze ook als Saïd uitlegde waar het om ging. Rond twee uur hadden we wellicht een kans. We hadden inmiddels enige uren bij Saïd in de auto gezeten en hoewel het bij hem wel zo leek, op sigaretten kun je niet leven. Omdat we enige tijd moesten wachten op verder bericht, nodigde hij ons uit bij hem iets te eten en zijn familie te ontmoeten. Na een tijd in Frankrijk en Spanje te hebben gewoond was hij enige jaren geleden na een scheiding terug bij zijn ouders in Layoune komen wonen. Zijn dochtertje woonde nog bij haar moeder in Spanje en naar eigen zeggen deed hij zelf onderzoek naar de evolutie van de drie grote godsdiensten in de moderne tijd. Terwijl we ietwat onwennig op onze sokken de woonkamer betraden, begon Saïd alvast met het bereiden van de thee. Aan de woonkamer was te zien dat de familie zelden zonder gasten was. De vloer was bekleed met een enorm tapijt met rondom een lange zitbank, die alle muren bedekte. We spraken over verjaardagen, huwelijken en andere feesten. Saïd vond het haast onwerkelijk dat je in Nederland niet al je buren kende; hier kwamen ze dagelijks over de vloer. Eén voor één kwamen nieuwsgierige zussen ons gedag zeggen; ze giechelden en verdwenen vervolgens weer snel in de keuken. Tijdens de hele reis kreeg ik niet vaak de indruk dat vrouwen zich daadwerkelijk onderdrukt of minderwaardig voelden in hun positie, anderzijds is gelijkwaardigheid nog ver te zoeken. Koffiehuizen, officiële instanties en handel die straatverkoop overstijgt worden gedomineerd door mannen. Na een minuut of tien kwam de moeder van Saïd met een grote tahin binnenwandelen. Het is gebruikelijk dat deze met de hele familie wordt genuttigd. Gehurkt en zittend op de grond neemt iedereen kleine hapjes met de rechterhand. Als er gasten mee-eten wordt er subtiel steeds de beste stukken naar hen toe geduwd. De schaal was gevuld couscous, gestoofde courgette, wortel en pompoen en enkele stukken lamsvlees. Simpel maar heerlijk. Zoals gebruikelijk kregen we als afsluiting van de maaltijd thee. Deze wordt op geheel rituele wijze bereid en Saïd drukte ons meerdere malen op het hart dat dit de echte thee uit de Sahara was, niet die slappe bocht uit Marokko. Op hete kooltjes wordt het kleine potje verwarmd en vervolgens wordt de thee vele malen overgeschonken in de kleine glaasjes tot er een grote schuimkraag ontstaat. Als teken van gastvrijheid voegde Saïd nog enkele blokjes extra suiker toe bij het toch al mierzoete drankje. Traditioneel wordt de thee altijd in drievoud gedronken en zo geschiedde. Na dit korte intermezzo toch weer terug naar de harde werkelijkheid: de zoektocht naar ons motorblok. Het liep inmiddels tegen vijven en de ontwikkelingen waren schaars. Via twee vrienden van Saïd zouden we wellicht iets kunnen regelen en dat wat je nooit moet doen, deden we: een voorschot van 400 euro cash bij twee volslagen onbekenden achterlaten. Terwijl we nog wat rondjes door de stad reden en Saïd doorzaagde over de intense slechtheid van de Marokkaan, wachtten we af. Aan alle kleine dingen was af te leiden dat Saïd een hekel had aan de bezetter. Hij gooide al zijn afval op straat omdat de schoonmakers Marokkanen waren, hij brak cassettebandjes met Marokkaanse muziek in twee en zijn hulpvaardigheid was enkel en alleen omdat hij als Saharwi anders was dan de noorderlingen. Hij was inmiddels een beetje onze vriend geworden en aan het einde van de dag stopte hij zelfs bij een minuscuul winkeltje om een bandje met ‘westerse muziek’ voor ons te kopen. Het was inmiddels na achten en alle lopende lijntjes bleken tevergeefs. We kregen gelukkig wel onze 400 euro terug, na een kleine woordenwisseling met twee mannen die in twee oude autostoelen van achter in hun winkel vol auto prularia morrend de briefjes uit hun achterzak opdiepten. Verslagen kwamen we bij de garage aan waar onze auto en motor nog als een uitgepakte Lego doos stonden te wachten. De hele motor werd weer in elkaar gesleuteld en na enkele woorden van dank en 50 euro voor Saïd werden de sleepkabels weer vastgemaakt. We stonden op het punt om terug te rijden naar de camping toen Saïd ons nog achterna rende: hij had vier saharasjaals voor ons gekocht voor in de woestijn en weigerde de 50 euro aan te nemen. Hij stond erop dat we het geld gebruikten voor de school in Burkina Faso en zelfs de kosten voor telefoon en benzine die dag wilde hij niet terug. Of deze man een enorm geweten waarvoor hij iets goed te maken had of een oprechtheid waar half Europa nog een voorbeeld aan kan nemen, ik zal het nooit weten. Het was bijzonder. Helaas veranderde deze indrukwekkende dag niets aan de situatie: onze auto was nog steeds terminaal en inoperabel. De enige optie was om morgen 500 kilometer te slepen naar Dahkla, de volgende stad, in de hoop daar wellicht een motorblok te vinden. Na enig protest van de groep, wellicht is een dergelijke afstand misschien ook wel een beetje onbegonnen werk, werd besloten toch door te gaan. Daar lagen we dan, uitgeput en ontmoedigd maar nog steeds in onze eigen auto. Kort iets over het slapen in een auto. Eigenlijk kan je niet echt langer zijn dan 1m75 en is alles wat je nodig hebt een grote houten plank, een paar scharnieren, een boor een slaapmatje en een klustalent. Je klapt de stoelen naar voren, klapt de dubbelgevouwen houten plank uit en je hebt een bed in je auto. Zo sliepen we drie weken lang gebroederlijk naast elkaar, beschut tegen regen en schorpioenen, opdringerige muggen en nieuwsgierige Malinezen. Het vereist enige oefening om elke ochtend weer soepel de hendel van de voordeur te vinden en de auto uit te komen zonder voorover in het zand te vallen maar het gevoel van vrijheid is ongekend. Niets is dan ook mooier aan reizen dan om half zes gewerkt te worden door Nokia’s favoriete alarmsignalen, niet te douchen en lekker de hele dag te slepen. Terwijl Liselot haar opperste concentratie gebruikte om de sleepkabel te alle tijde strak te houden, richtte ik een rijdend kantoor in om zo snel mogelijk een motorblok te regelen. Hotels, campings, straatverkopers en belangrijke families, kortom eigenlijk alles wat een telefoon had in Dahkla, werd gebeld in de poging een motorblok te regelen. Helaas werd de situatie steeds uitzichtlozer; Mauretanië kwam dichterbij en de kans dat we wellicht onze reis zouden moeten staken, werd een reële optie. Terwijl de rest van de groep genoot van de delicatessen uit de zee in het centrum van Dahkla, knaagden wij aan een Sultana in afwachting tot een sleutelende monteur licht op de zaak zou werpen. Middernacht keerden we terug naar de camping en stonden we voor een moeilijk dilemma. De volgende dag zouden we naar Mauretanië gaan: het land dat een negatief reisadvies had, waar de meest onheilspellende verhalen over de ronde gingen, dat alleen te bereiken was via een mijnenveld en waar je niet zonder motorblok in je eentje wilde achterblijven. Daarnaast is Afrika niet het continent van de harde afspraken en zorgeloze zekerheden. We hadden een vage afspraak met onze ‘fixer’, Cheikh Diallo, de man die ons door het land zou gidsen. Na vele telefoongesprekken waarbij de verbinding ongeveer even goed was als de ontvangst van radio oranje in ’43, zou hij ons bij de grens opwachten met een bevriende automonteur. Deze zou voor het luttele bedrag van 8000 euro een nieuw motorblok in de aanbieding hebben. De grens tussen de Westelijke Sahara en Mauretanië: veertig graden, mannen in legerpakken die moeilijk keken en onheilspellende borden met doodshoofden die ons er terloops nog op attendeerden dat we ons in een mijnenveld bevonden. De lokale klederdracht: enorme gewaden en haast gemummificeerde hoofden met grote zonnebrillen, maakten dat onze onderhandelingspartners er ook niet heel betrouwbaar uitzagen. Zelden heb ik zo sterk getwijfeld aan waar we mee bezig waren. Alle zekerheden; een huis, studie, vrienden, familie achterlaten om midden in een mijnenveld te gaan onderhandelen met totale vreemden over een auto-onderdeel. We waren op weg naar één van de armste landen in de wereld om daar een school te bouwen en jongeren een toekomst te bieden. Zouden zij over vijftig jaar ook geen genoegen meer nemen met reguliere patroon en op zoek gaan naar andere avonturen? In de brandende zon overwogen we onze opties terwijl louche mannetjes als aasgieren onze auto taxeerden voor het geval we besloten het ding van de hand te doen. Ahmed, de man die ons een nieuw motorblok aanbood, bleek geen eenvoudige onderhandelingspartner. Het leek ons onwaarschijnlijk dat 8000 euro een reguliere prijs was in een land waar het gemiddelde jaarinkomen niet meer dan 300 euro bedraagt. Tranen, stugge onderhandelingstechnieken, vragende blikken en nog veel meer waren nodig om tot een finaal bod te komen: 2500 euro. Voor dit woekerbedrag zou in één nacht een nieuwe Toyotamotor geplaatst worden en zouden we morgen verder kunnen rijden. Dit betekende: meer geld uitgeven aan een onderdeel dan aan de auto, minder geld om de school verder te bouwen, de auto door het mijnenveld slepen en met halve zekerheden Mauretanië binnengaan. Hoever moet je gaan en hoe objectief ben je nog na 1000 km slepen, weinig slaap en met 10 gemummificeerde Mauretaniërs om je heen in een mijnenveld? |




Sticks and Stuff is uw hockeywinkel gelegen in The Mansion.
The Mansion is een modern restaurant met